„Neel, as ik an de drank raak, is het jouw schuld,” lachte hij en zoende haar gulzig in de hals. Zijn snor kriebelde, daarom zei ze vertederd en veelbetekenend:
„Dat slaan ik d’r dan wel uit... enne maak ’t niet te laat... misschien...”
Hij drukte haar wat onhandig tegen zich aan, zoende haar nogmaals en banjerde verzaligd de straat op.
Maar bij Koos de Munnik verdween Neels frivole bui. De schoenmaker was minder geworden. Zijn eten had hij niet aangeroerd, al de koude thee was op en hij smeekte om water. Zij gaf hem voorzichtig te drinken, ontstak de petroleumlamp en nog een paar kaarsen, zodat het niet zo somber meer was in de kamer. Het licht weerkaatste vreemd in zijn koortsogen. Zij ging bij zijn bed zitten en knikte hem bemoedigend toe, daarom moest hij zachtjes huilen en zei:
„Neel... morge mot de notaris komme, ’t gaat op z’n end.” „Jö, klets niet, je heb koors... volgende week zet je weer zole en hakke.”
„Nee... Neel, volgende week ben ik schoenmaker bij Onze Lieve Heer. Zorg nou, dat die notaris komp.”
„Ik ken geen notaris... en zeur nou niet... je wor beter.” „Op de Blaak woont d’r een. Dan hoef ie niet zo lang van de mart wreg te blijve... en in me broekzak zit geld... as tie soms vooruit wil hebbe,” hield hij vol.
„Goed dan... ’t is zonde van de cente, volgende week tippel je weer over de Hoogstraat.”
„As dat zou weze, ben ik graag die cente kwijt.”
„Zal ik je nou wat voorleze, Koos?”
„Nee... ik ben zelluf al een gemengd bericht.”
Hij sloot zijn ogen en Neel de Groot zat stilletjes bij hem en las al de gemengde berichten en de advertenties. Toen was het tijd om te gaan.
Thuis wachtte een vrolijke Hein de Groot, maar Neel zei grimmig:
„M’n kop staat er niet meer na... as je an m’n lijf komp trap ik ie de bedstee uit... zatlap!”
i37