„Neel... het zit alsmaar in m’n kop. Dat ik een dief zou weze. Waarom zou ik een dief weze? ik heb toch genog?”
Neel de Groot zweeg even, maar toen kon ze haar wantrouwende antwoord niet terughouden.
„Dat zeg niks, de Munnik, hoe meer de mense hebbe, hoe meer ze d’r bij wille.”
„Nee, jullie kenne me niet. Jullie kenne allenig die bult, die schoenmaker. Heus, ik heb stiekum goed gedaan met me cente. Wat most ik d’r anders mee? Neel? een vent met zo’n lijf as ik ken geen nette vrouw krijge en van de meides ben ik vies. Nou... Neel, dan stapele je cente zich alsmaar op, jarelang. En dan wordt het wat, dan worrie rijk.”
Neel de Groot staarde hem aan, dat van die vrouw en de meiden maakte haar sentimenteel.
„Hebbie zo geleje, Koos?”
„Ja, Neel, ik heb dikkels gegriend... allenig. Om een vrouw, heus geen mooie, Neel, en kinders om me heen. En wat heb ik gehad?... ouwe schoenen... vuile zweetjekkers... ik ken d’r van kotse... ik ken d’r God om vloeke... daar!”
„Stil, Koos, je zou je bezondige,” fluisterde Neel de Groot en wiste tranen uit haar ogen, „ga nou slape, Koos, mot je nog een slokkie drinke?”
Hij schudde neen, keerde zijn betraande gezicht naar de muur en vroeg:
„Kom ie morge avond weer, Neel?”
„Ja,” zei ze schor, dekte hem toe en stak een nachtkaars voor hem aan en verliet almaar zachtjes snikkend zijn huis. Dat een mens zo eenzaam kan zijn...
De volgende avond wilde zij haar belofte nakomen en vroeg naar de schoenmaker gaan. Maar Hein de Groot, haar man, had bezwaren. Zijn vrouw was geen Heilszuster en de Diakonie moest maar komen verplegen. Neel hield voet bij stuk, nam eindelijk haar geldknip en gaf Hein twee kwartjes om de avond door te brengen in het „proeflokaal” om de hoek.