„Zo, 20, cr staan krassen van schoenen op de schoorsteen, de Munnik”
„Mot dat per se van mijn schoenen zijn? Bewijs dat het mijn schoenen zijn!” brulde Koos de Munnik opgewonden, terwijl hij driftig alles wat in z’n handen kwam op de grond smeet, zodat er een berg schoenen ontstond.
„Trek jij je schoenen maar eens uit,” zei de rechercheur ijzig.
Die uitdaging nam de bultenaar niet, maar de mannen van de Wet pakten hem kort en bondig beet en trokken hem z’n schoenen uit. Ze zouden bewijzen, dat het de Munniks schoenen waren geweest, die krassen hadden gemaakt. Zij namen de schoenen mee en lieten een tierende schoenmaker achter, die op z’n kousevoeten bijna een beroerte van opwinding kreeg.
De inspecteur verklaarde zijn mannen voor gek, hoe konden ze in hemelsnaam denken, dat na maanden nog te bewijzen was dat de krassen waren veroorzaakt door schoenen, die juist opnieuw bezcold waren. En nog diezelfde dag kreeg de Munnik z’n schoenen terug. De bultenaar was niet tot bedaren te brengen, aan een ieder vertelde hij van het geweld dat hem was aangedaan door de politie en de stommiteiten van dat stelletje dilettanten.
Maar... zijn klanten reageerden anders. Het feit, dat de politie hem had ondervraagd was al verdacht... er is geen koe bont of er is een vlekje aan... en daarom was de Munnik opeens getekend. Dat men niets gevonden had, speelde geen rol, die bult zou wel gek zijn om de „poet” thuis te bewaren. Die stond natuurlijk allang op de spaarbank in het buitenland, onder een valse naam. Ja, die Pleun was nog niet zo gek met haar gedachten... natuurlijk had hij het gedaan. Hij kon de politie wel in de maling nemen, maar niet de Vissers-dijkers.
En de ellende voor Koos de Munnik begon. De klanten, die contant betaalden, bleven weg, ze kochten niet bij een dief.