Bonten, plaatste hij een stoel voor de schoorsteen, keek van de zitting naar de dolk en, eindelijk ook op de schoorsteenmantel. En hij zag heel lichte krassen op het zwarte imitatie-marmer. Hij zuchtte: „Eindelijk.”
Toen keek hij van de krassen op naar de dolk en zei:
„Tante Pleun, als die vent op je schoorsteen moest gaan staan, dan was het een klein kereltje... wat hebben w7e voor kleine kereltjes in de buurt?”
„Jesses...” gilde Pleun en greep naar haar borst, want ze werd even niet lekker van de dagende waarheid.
„Nou... tante Pleun, laten we eens nadenken en tellen,” zei hij demonisch.
„Koos... Koos de Munnik, de schoenmaker! die bult!” riep tante Pleun met trillende stem.
„En wie nog meer?”
„Niks meer... d’r is maar één kleine bult in de buurt.”
„Kwam die wel eens hier?”
„Tuurlijk... maandags komp tie langs om de kapotte schoene. As ik wat heb zet ik ze op de trap... en dan ken die an ’t touwtje door de brievebus trekke om de deur ope te make... en dan ken die bove komme. Ik ken niet weg van de markt, daarom doen ik ’t zo.”
„Aha...” zei de rechercheur, „aha... zo kwam hij binnen zonder braak... aha!”
Toen dronk hij twee koppen koffie bij tante Pleun, stak behaaglijk zijn sigaar op.
En tante Pleun keek almaar stil en eerbiedig naar de „stille”.
Koos de Munnik dacht, dat hij door de grond ging, toen de recherche bij hem binnenstapte. Men beval hem de deur te grendelen en de huiszoeking begon, nadat zij het bevelschrift van de Officier hadden getoond. Zij vonden niets verdachts.
Toen begon het verhoor. De schoenmaker ontkende ooit naar boven te zijn gelopen, de schoenen van Pleun stonden altijd in het portaal.