vluchtigs, dat in haar hoofd rondtolde. Maar toen de zalm was verkocht en een van de loopknechten hem was gaan bezorgen, riep ze tegen Neel de Groot:
„Let op m’n stalletje, Neel, ik mot naar de pelisie.” „Wat hebbie nou weer,” vroeg Neel de Groot bezorgd. „Strakkies... strakkies as ik terug bin, zal ik je vertelle.” Neel de Groot knikte gelaten. Die tobber van een Pleun, ze hadden d’r helemaal gemold met dat stinkgalf, dacht ze giftig.
De inspecteur zuchtte diep, toen vrouw Bonten hem schreiend haar vermoedens vertelde. En de rechercheur vloekte een stevig nummer, toen de inspecteur hem zei, dat de gedachten van Pleun nog niet zo gek waren en dat hij het onderzoek moest voortzetten. De rechercheur werd er kriegel van, maar het stimuleerde ook zijn werkdrift. Het moest nu maar eens uit zijn met dat ellendemes. Zijn sigaartje smaakte hem maar half, hij at al wat minder en sliep slecht. Hij droomde zelfs van die zaak van Pleun Bonten, dat was hem nog nooit overkomen, zelfs niet bij een moord. En wat hij niet had gedaan, dat deed hij nu... een grondig onderzoek in het huis van tante Pleun. Hij zat bij haar aan tafel en zij keek hem muisstil en vol ontzag aan. Hij beloerde de dolk, die weer op de doek boven de schoorsteenmantel hing... en hij ontwikkelde hardop zijn gedachten.
„Vrouw Bonten, die vent, die dat kreng van de muur haalde moet ergens op gestaan hebben, anders was ie meer dan twee meter lang geweest. Een circusnummer. Zo’n draadnagel kan niet ongemerkt over de Vissersdijk banjeren, dus die gedachte kunnen we wei doorschrappen. Nou... dus die dief heeft ergens opgestaan. Waarop? Pleun?... op een stoel natuurlijk, want hij gaat niet over straat zeulen met een ladder. Ik moet de stoelen zien.”
Eerbiedig stond ze op en de speurder onderzocht de trijpen zittingen van de mahonie stoeltjes. Hij vond niets, maar om zijn vakkennis nog wat aan te dikken voor de timide Pleun