wou... een vent blijft een vent, al is tie van de pelisie.” Hetgeen de vrouwen ernstig en ervaren beaamden.
In het bijzijn van vrouw Bonten werd de dolk onderzocht. Het lemmet stak los in het heft, het paste er precies in, er was geen geheime ruimte.
„Tante Pleun, ik zou eerlijk niet weten hoe oom Ari in dit mes een vermogen had kunnen opbergen. Het past tot de millimeter in elkaar.”
Pleun Bonten haalde verdrietig de schouders op en antwoordde:
„Waarom hebbe ze ’t dan twee keer gegapt?”
„Dat zoeken we nog uit. Al was het alleen maar om je recht op je rechten,” zei de inspecteur venijnig.
De recherche trok er weer op uit. Hoe was dat mes in die vismand gekomen. Teun van den Burg, een van de helpers bij de afslag, viel door de mand. Hij had de dolk onder de vis verborgen.
„Waarom?” wilde de politie weten.
„Om ’m terug te geve en d’r weer niet te late rotschrikke,” zei hij.
„Heb je ’t de eerste keer dan ook gedaan?”
„Nee...”
„Hoe kwam je aan dat mes?”
„Weet ik niet... ’t lag zo maar op de vloer van de afslag.”
„Ja, ja... zomaar. Dat kennen we. Teun, draai d’r niet om heen. Heb jij ’t gepikt?”
„Nee, maar dit neem ik op mijn. Voor zo’n kleinigheid slaan ik niet door.”
„Waar lag het toen je maat het gapte?”
Teun van den Berg dacht lang na, er kwamen zware rimpels van op zijn lage voorhoofd.
„Hij hong an de schoorsteen,” zei hij.
„Toen ze met haar vriendinnen zat te pimpelen?”
„Ja...”
„Ze was dus niet getikt,” peinsde de rechercheur. „luister