de narigheid. Maar hij hong d’r, al zoue jullie me radbrake... hij hong d’r.”
„Tante Pleun, ik zal alles nog eens onderzoeken, als je me belooft je niet meer te bedrinken.”
„Ik heb recht op het recht; meheer, met of zonder borrel,” zei ze opeens fel.
De inspecteur puntte nadenkend zijn snorren.
„Je hebt gelijk, vrouw Bonten. Je hebt recht op je rechten als burgeres. De hele zaak gaat van a tot z onder de loupe,” zei de inspecteur wat grimmig.
Zij veegde haar hand af aan haar bonte schort voordat zij die ten afscheid aan de inspecteur reikte, verliet het politiebureau en was vast besloten een einde te maken aan de heksenjacht, welke rondom haar was ontstaan.
De inspecteur hield woord. Diezelfde middag ontbood hij een rechercheur en zij gingen de hele zaak nog eens na. De rechercheur zei:
„Laten we aannemen, dat hij er weer hing, want alle drie waren ze toch niet getikt. En dronken waren ze ook niet. Tussen de tijd dat ze naar beneden holden en wij naar boven moet dat mes verdwenen zijn, maar hoe?”
„Wie is er voor ons boven geweest,” peinsde de inspecteur, „maar dat is nog niet alles. Wie heeft het er voor die tijd eerst weer opgehangen. Want het was er opeens en het was er niet, dat rot bazar mes. Het wordt nog interessant ook. Probeer nou eerst eens uit te vinden, wie er naar boven is geglipt, dan komt de rest vanzelf.”
„Nou, we gaan dan maar es beginnen,” zei de rechercheur en verliet op z’n gemak het bureau.
De volgende morgen kocht Pleun Bonten twee manden tarbot en schol bij de afslag aan de Blaak. De manden sverden door de helpers van de afslager naar de visbanken gesleept en met een geoefende zwaai kiepten zij ze leeg. Tante Pleun tilde haar rok op om haar geldknip te pakken uit de zak van
127