Maar de vriendinnen hadden het ook al gezien, ze waren bleek van schrik en morsten uit de glaasjes, die trilden in hun handen.
„Hij is terug, meides... hij is terug! Ari is werom!” en tante Pleun staarde ontzet naar de muur.
„Haal ’m d’r af,” riep een vriendin.”
„Meid... ik durref niet... ik bedoen me haast,” hijgde Pleun.
„Jesses... wat eng... ik gaat hiero weg,” riep nu de andere vriendin en maakte aanstalten om weg te lopen.
„Ik gaat mee,” riep de eerste, „ik krijg d’r ’t hartwater van... Pleun, meid... ’t spookt hiero. Kom mee, meid... holle!!”
Even nog aarzelde tante Pleun, toen pakte ook haar de angst en de vrouwen stormden de trap af, de straat op. Daar leunden zij grienend tegen de pui, er kwam direct volk toelopen, in een oogwenk was er een opstootje. Hijgend en jammerend vertelden de vrouwen dooreen, „dattie d’r weer hong.”
Het nieuws verspreidde zich als vuur en na vijf minuten was er de vreselijke vertelling uit geboren, dat een vent met de dolk van oom Ari in z’n handen de drie vrouwen daarboven had opgewacht om ze te onthalzen.
Niemand durfde naar boven. Maar daar kwamen al de agenten van de post Groote Pauwensteeg, die van verschillende kanten waren gealarmeerd, dat Pleun Bonten en vier vriendinnen in haar woning waren geslacht door de „Italiaan-ders”
Eerst ging een brigadier naar boven, de sabel getrokken. Zo behoorde dat bij een oude onverschrokken Marinier. De recherche kwam als laatste deel van de overheid en direct daarna volgden de krachtpatsers van de Vissersdijk. Het kamertje van Pleun Bonten was ineens barstens vol. De woning werd nauwkeurig doorzocht en na tien minuten was de optocht al weer beneden. Met de fles en de glaasjes en het bericht, dat er geen vent was en geen bloed... en ook
124