Mocatta beklom een wagen, nam plaats op een baal wol. Nehemia bar Simeon volgde, bijzonder lenig voor een man van zijn leeftijd. Hij nam ook plaats op een baal maar vond die te zacht, iets dat hem rusteloos maakte. Hij zat liever hard en rechtop. Zij klommen weer van de wagen en bleven staan.
‘Welnu, Nehemia bar Simeon. Op welke manier moet ik mijn reis goedmaken?’ vroeg Mocatta ongeduldig.
‘Kent u de Fuggers, senhor?’
‘W
‘Kent u hun macht?’
‘Neen ,wel hun invloed.’
‘Invloed is macht.’
‘Neen, heer Nehemia, neen. Wij Marranos en onze voorouders, de zuivere Joden, hadden invloed - géén macht. Toen de macht zich tegen ons keerde, was onze invloed overnacht verdwenen. De volgende morgen werden wij zwervers, beroofde zwervers.’
‘Ulieden beroofde zwervers?!’ Nehemia keek Mocatta spottend aan.
‘Ja, beroofde zwervers. Maar beroofd wil niet zeggen brodeloos of zonder middelen. Wanneer men beroofd is van duizend dukaten, kan men nog negenduizend ergens anders hebben. Is dat waarheid?’
‘Ja . . . waarheid. Het is dus met ulieden evenzo gesteld als met ons,’ zuchtte Nehemia bar Simeon.
‘Waarom noemde u de Fuggers?’
‘Jehoshua bar Ido, sta mij toe dat ik u onder vier ogen zo noem ...’
‘U hebt het mij vergeven, dat ik, een onbesnedene, toch Jood wil zijn?’ vroeg Mocatta.
‘Meer. Ik heb overdacht dat het voor de Ashkenaziem
97