Laat uw gezelschap bieden op de koopwaar, maar gaarne een beetje vlug. De Messe duurt kort en ik wil zonder overschotten terugkeren.’
‘Zijn uw wagens en gespan ook te koop, senhor Mocatta?’
‘Neen. Hoe zou ik dan de hier gekochte goederen moeten meenemen?’ Mocatta was bozer geworden. Zijn toon klonk geprikkeld.
‘Neem mij niet kwalijk senhor Mocatta. Wij hebben elkaar weer niet begrepen. Maar is het wel verstandig hier goederen te kopen en nog eens langs al die gevaren mee te slepen naar Antwerpen? Zou er geen rustiger manier zijn om iets te verdienen?’
Nehemia’s gezicht was ondoorgrondelijk geworden. Zijn ogen waren strak gericht op Mocatta. Hij leek een stenen beeld. Mocatta werd langzaamaan driftig. Wat wilde die man? Waarmee bemoeide hij zich? Afgemeten vroeg hij:
‘Wat wilt u?’
‘Uw prijs voor alles, inclusief wagens en paarden en daarna een gesprek met u alleen. Waar u dat wilt.’
‘Eerst dat gesprek, daarna mijn prijs.’
‘Redelijk, senhor Mocatta. Waar dat gesprek?’
‘Hier. Bij mijn koopwaar.’
Nehemia bar Simeon voegde zich bij zijn gezelschap; het duurde geruime tijd voordat de Joden hun gekwetst zijn overwonnen hadden. Maar Nehemia’s autoriteit en belofte niet te zullen bieden, noch deel te willen hebben in de winst, deed hen besluiten de binnenhof uit te kuieren door de donkere inrijpoort en op het overvolle marktplein te wachten. Samengedrongen, gespannen, angstig. Want zij waren Joden in Teutoons land.
96