‘Heer Nehemia bar Simeon, het heeft ons zeer dankbaar gemaakt en wij weten nauwelijks hoe wij u dit kunnen vergoeden.’
‘Dat is niet zo moeilijk. Veroorloof mij u een bescheiden raad te geven. Verkoop al hetgeen u hebt meegebracht tegen voordelige prijzen aan deze joodse kooplie-den.De tijden zijnslecht. Zij willengaarne watverdienen.’
Josua Mocatta keek verbaasd in de klare grijze ogen van Nehemia bar Simeon. Hij meende er iets in te zien vonken dat hem prikkelde. Begreep deze stugge Ash-kenase niet dat zijn woorden de gebruikelijke Iberische hoffelijkheid uitdrukten? Dit soort hoffelijkheden had elders nooit gevolgen. Even wreef Mocatta zich over voorhoofd en ogen, want pijlsnel herinnerde hij zich sommige, die volgens de opvatting van Nehemia bar Simeon hem dan vermogens zouden hebben gekost. Hij antwoordde een beetje boos en autoritair:
‘Mijn mannen en ik hebben deze reis naar Leipzig gemaakt ondanks groot ongemak en veel levensgevaar. En als beloning mogen wi j uw beschermelingen goedkoop leveren en zelf zonder winst of wel met verlies terugkeren naar Antwerpen. U is vrijmoedig!’
‘Wie spreekt van “zonder winst”, heer Mocatta? En als er iemand bestaat die uw gevaren beter kent dan ik, wil hem mij dan aanwijzen. Het is jammer dat wij het wederom niet tot zaken doen kunnen brengen. Sholoum Alei-chem.’
Met grote nadruk sprak Nehemia bar Simeon deze woorden uit en hij keek Mocatta nog doordringender aan. Hij boog tot afscheid. Mocatta schrok ervan en riep:
‘Het was onze bedoeling om zaken met u te doen. Wij zijn gekomen op üw verzoek, heer Nehemia bar Simeon.
95