‘Wat is wel goed, wat is niet goed in de landen van Co-lumbus ? Wel, senhor Baëna, geef daarop eens antwoord.’
‘Ben ik de Almachtige?’
‘Gelukkig niet.’
‘Waarom gelukkig niet? Zou ik het niet beter hebben gemaakt voor de Joden en de Marranos?’
‘Ik weet hoe je bent als Gabriël Baëna en niet hoe je zou zijn als de Here God.’ Mocatta glimlachte.
‘Wij zijn geschapen naar Zijn beeld. Ik ook,’ pochte Gabriël Baëna.
‘Dan kan alles blijven zoals het is. Want je zou, als evenbeeld, ook niet anders gehandeld kunnen hebben,’ zei Mocatta en glimlachte wederom op zijn speciale manier.
‘Als ik de Almachtige was geweest, had ik alleen Joden op de wereld gezet. Alle problemen in één klap opgelost.’
‘Zouden er dan geen problemen zijn gebleven, Ga-briël?’
‘Misschien een pietsie, een heel klein pietsie. In ieder geval hadden wij elkaar niet vervolgd. Geen brandstapels, geen galg, geen pijnbank, geen sores.’
‘Dus alleen maar simcha bij de Almachtige Baëna?Iede-re vrijdagavond en shabbath en feestdagen alleen maar lekker en veel eten. Veel geld verdienen, veel geschriften en veel kunstwerken. En veel shalom. Had je het zó geschapen en ingezet, Gabriël?’
‘Ingezet wel, maar of men zich eraan zou hebben gehouden - nah, laat mi j niet doordenken!’
‘De Almachtige Baëna twijfelt dus?’ vroeg Mocatta.
‘Ja, geschapen naar Gods evenbeeld twijfel ik. Dus God twi jfelt ook,’ antwoordde Baëna vastberaden.
‘Dan heel stil zijn, Gabriël, en wachten totdat je belast wordt met het bestier.’
92