‘Nehemia bar Simeon, wat zei u?’
‘De Franse wijnkopers hebben hun geduld verloren. Uw vader zal op zeer korte termijn moeten betalen.’
‘Dat kan hij niet!’ riep zij, ‘hij heeft veel geld verloren.’
‘Waarmee?’
‘Hij had deel in een Oostzeekogge. Pools graan voor Amsterdam. En het schip is vergaan.’
Ontzet door de herinnering sloeg zij de hand voor de mond en staarde maar in de ogen van Nehemia bar Simeon.
‘Dat is het gevaar van zaken doen, Machteld Fromm. En ik wist het reeds een week nadat het gebeurd was.’
‘Hoe kan ik die Franse wijnkopers milder stemmen, Nehemia bar Simeon?’
‘Ten eerste, mij niet de herberg uitjagen, ten tweede, mij aandienen bij de Portugezen en ten derde voortaan bedenken dat het galgetouw of het vuur een Jood net zoveel pijn kan doen als een christen. Want wij bestaan ook uit vlees en bloed. Wij hebben ook gevoel. Wilt u dat eens overdenken, dan zal ik mijn invloed voor uw vader inzetten.’
‘Ik zal doen wat u mij vraagt,’ zei zij bedeesd en wendde het gezicht af, vervolgde:
‘Wie bezit die vorderingen op vader?’
‘U vraagt nu te veel, Machteld Fromm.’ Nehemia bar Simeon glimlachte en antwoordde niet verder, want driftig keerde Machteld zich om, snelde de trap op om de Portugezen te roepen.
‘Vreemd,’ dacht zij, toen zij Mocatta en Baëna volgde naar de gelagkamer, ‘vreemd, wat hebbende Joden toch voor geheimzinnigs. Hoe weten zij altijd iemand aan zijn nijpende schulden te herinneren als het hun te pas komt.
87