de herberg naar de trap. De waard gluurde hem na. Zijn slank postuur, zijn lange benen in de juchderen laarzen, het korte geplooide wambuis met de brede schouders, smal in het midden getekend door de gordelriem. Het lage kraagje, de pofmouwen. En het hoofd bedekt door de Bourgondische jagershoed. Portugezen! Slimme kooplieden - zij kenden de wereld, wisten waar zij alles vandaan konden slepen ... Kleider, Fressen, Sauferei, Waffen, Gold ... Verdammt! Und wir ... Maul halten und sich verheugen! Verdammt noch ’mal! Hij brulde zijn dochter en de knecht naar boven en ging naar de Amtmann, breed, log, in de kleren van zijn gestorven vader. Want per kroes wordt men niet rijk en een penning is een penning; de rest is diefstal en Schweinerei. En als huursoldaat een condottiere zoeken gaat niet meer, daarvoor doet die oude sabelhouw over de schouder te veel pijn. Verdammte Auslander. Verdammtes Gesindel aufdeutschem Boden. Dreck .. .
Hij kwam. De belangrijkste Jood van de Kehilla Keulen, een kleine gemeente, samengedrongen in enkele straatjes en stegen. Hij was fors en groot, had het uiterlijk van een Rus. Hij droeg de voorgeschreven jodenhoed en joden-lap, een zwarte tabberd en zwarte ruiterlaarzen. Zijn ogen waren staalgrijs, zijn baard was zilverwit. Iets tekende hem bijzonder: het waren de diepe groeven schuin over het voorhoofd naar de neuswortel, en de spierwitte slaaplokken.
Hij bleef staan in het deurgat, keek koel vorsend naar de huisdochter en de bottelier, zei:
‘Meld me bij de Portugezen.’
‘Wie, Jood?’
85