‘Ja, ik ga nu terug. Hij zal onmiddellijk komen.’
‘Hoe is het in de Duitse landen, Rebbe?’
Jehoeda bar Gershom haalde de schouders op, keek nadenkend naar buiten.
‘Er is maar één antwoord: een Jood moet nog eeuwenlang blij ven vrezen. Pas op, mijn zoon.’
‘Ik dank u, Reb Jehoeda bar Gershom. Wanneer zullen wij elkander weer ontmoeten?’
‘Wanneer kom je terug van Leipzig?’
‘Ongeveer over twee maanden.’
‘Dan zal ik misschien in Antwerpen zijn, zo God wil. Je vindt mij dan in het huis van je stiefmoeder. Maar ik zal er Spaans uitzien en mij verbergen achter de Sefardische naam Loys de Negro. Ik hoop dat mijn gezicht en mijn manier van lopen mij niet verraden.’
‘Reb Jehoeda, de Inquisitie probeert ons gelóóf uit te roeien. Voor een ander ras of een ander volk hebben zij geen belangstelling. Christen is christen, al is hij een Moor of een man van Cathay.’
‘Dan zal ik een christen Moor zijn - een beetje veel opgebleekt, dat wel. God zegen je.’
Bijna onmerkbaar bogen beide mannen het hoofd als afscheidsgroet. Jehoeda bar Gershom wendde zich om en verliet de kamer. Gabriël Baëna ging hem voor op de donkere trap en leidde hem door de gelagkamer naar buiten. Toen hij terugkeerde, keek Albrecht Fromm argwanend naar hem. Gabriël Buëna ging pal vóór hem staan, zei op scherpe toon:
‘Waard, wij wensen te handelen met de Joden van Keulen. Wij wensen dat u de herberg voor drie uren sluit voor uw vaste drinkers. Wij wensen ongestoord te praten. Uw inkomstenderving zullen wij u vergoeden.’
83