‘Dit is een verrassing! Dit had ik niet verwacht!’ riep Mocatta en boog voor Jehoeda bar Gershom.
‘Een verrassing? Of een teleurstelling?’ vroeg Jehoeda bar Gershom.
‘Een verrassing. Vanzelfsprekend!’
‘Neen, mijn zoon, een teleurstelling zou vanzelfsprekend zijn. Je verwacht de belangrijkste koopman van de Keulse Joden en je wordt bedrogen met een ashkenasi-sche rebbe, die je tot vervelens toe in het huis van je stiefmoeder Genendel hebt ontmoet. Nah, mijn zoon, nah?’
Mocatta glimlachte, antwoordde:
‘Rebbe Jehoeda bar Gershom, laten wij het dan zo verklaren: Ik ben verrast door de teleurstelling, maar niét teleurgesteld door de verrassing.’
‘Jullie Sefardiem. Waarom altijd de hoffelijkheid stellen boven de werkelijkheid?’
‘En u, Ashkenaziem, waarom altijd de zwartgalligheid stellen boven de vreugde? Moeder Genendel leerde mij zeggen: Lechaïem, op het Leven.’
‘Dat kan een Marrano zich meer veroorloven dan een Ashkenase. Wij in deze landen moeten rekening houden met de Dood, iedere dag, ieder uur. - Mijn zoon, ik ben gekomen als verspieder van de belangrijkste joodse koopman van Keulen, om te kijken of je werkelijk was aangekomen en of je reisfactoor niet werd misbruikt door de Inquisitie onder bedreiging met de dood. Een val voor de Keulse Joden.’
‘Reb Jehoeda bar Gershom, zij zoeken Marranos, geen wetsgetrouwe Ashkenaziem. Die pakken zij zonder kuiperij.’
‘Al te waar, mijn zoon.’
‘Ik verwacht dat u nu overtuigd bent.’
82