tochdeMeshoelach, de Ge2ondene - ons geweten? Shad-daï, sta me bij! Laat mij niet los uit het geloof mijner vaderen! Neem de twijfel van mij weg! Shaddaï, laat mij Jood zijn, Uw bondgenoot! Gracia, help mij voor Gods troon - denk aan mij, Gracia. Met al de kracht die in mij is richt ik nu mijn gedachten naar jou. Ik roep je voor mijn geest - ik zie je amandelvormige ogen, de kleur is nog steeds hazelnootbruin, je haar kastanjekleurig, je neusje klein en recht, je wenkbrauwen schuin getekend zoals bij een slavin die een van onze schippers gekocht had in Alexandrië. En je mond ... vergeef het me, Gracia, maar je bent toch geen echte non, je bent een Jodin, je behoort bij mij, Gracia. Er scheiden ons geen bergen, er scheiden ons geen zeeën... er scheiden ons ménsen. Mensen met waangedachten - de zwaarste barrière die God kon opwerpen. Bid, Gracia, zoals ik, dat Hij Zijn goedertierenheid op ons zal richten en ons zal verenigen ... tot de Dood ons scheidt... tot de Dood ons scheidt . . . Amen . . .
Mocatta sloot zijn ogen. Langzaam zonk hij weg in een diepe slaap...
Er klonk gestommel op de trap. Er werd bescheiden maar hardnekkig op de kamerdeur getikt. Josua Mocatta schrok wakker. Onwillekeurig greep hij naar de kleine dolk in zijn gordel en hij sprong van het bed.
‘Wie daar?’
’Senhor, uw reisfactoor Gabriël Baëna met Jehoeda bar Gershom.’
Josua Mocatta ontgrendelde de deur, liet hen binnen. Hij keek neer op Jehoeda bar Gershom, die klein, stevig vierkant vóór hem stond.
81