De boer kwam op het erf. Vader reikte hem de hand, maar ik zag dat er een geldbuideltje tussen hun handdruk lag. Wij reden weg. Eén van de mannen leidde zijn paard naast dat van vader, vroeg:
‘Was het vertrouwd?’
‘Ja,’ zei vader. ‘De hoeve is van mij. Pacht hoeft hij niet te betalen en ik heb één van zijn zoons losgekocht uit de galeien. Geld zal altijd ons schild zijn.’
De man knikte goedkeurend. Heel in de verte doemden de muren van Antwerpen weer op ...
Gabriël Baëna keek meermalen tersluiks naar de groot-koopman. Opeens vatte hij moed, zei:
‘Nah, Reb Mocatta, uw stiefmoeder Genendel zou nu zeggen: Was hast du geklart?’
‘Senhor Baëna, u bedoelt...?’
‘Ah, senhor Mocatta, u wenst in het Heden terug te keren?’
‘Ja, senhor Baëna, in het uitzichtloze Heden. En u hebt voor vandaag genoeg Ashkenasisch gerebbet.’
Josua Mocatta strekte zijn lichaam, schikte iets aan zijn schoudermantel, streek met zijn ruiterhandschoen zacht over de puntjes van zijn smalle kneveltje, trok beheerst aan de teugels. Zijn paard hinnikte, schudde daarna het hoofd wat op en neer.
‘Senhor Baëna, wij zullen niet bij de heer Coppenhagen logeren. Zoek onderdak bij de duurste waard van Meche-len.’
‘Jawel, senhor Mocatta.’
Het duurde tot de schemer voordat zij de poorten van Mechelen bereikten. Al die tijd hadden zij niet meer gesproken.
77