Hoogmoedig keek Geerte op haar neer. Zegde:
‘Senhora, wat gaat dit Huis Mocatta doen wanneer Jo-sua niet meer terugkeert?’
Genendel deed enkele passen naar Geerte. Haar ogen waren mild geworden. Geerte keek er verbaasd in.
‘Reik me je kind, Geerte van Arcen.’
Secondenlang keken ze elkander aan. De oude, eeuwenoude ogen van een stammoeder overwonnen. Geerte van Arcen sloeg, opeens weer huilend, de hare neer. Bukte. Nam de jongen uit de schommelwieg.
Genendel nam hem in haar armen.
‘Juana de la Calle, je bent mijn getuige. Als de Almachtige God beschikt dat Josua niet zal terugkeren, dan is dit kind Ido, de zoon van Jehoshua bar Ido, het Huis Mocatta en de enige erfgenaam van mijn vermogen. Zo waar helpe mij God Almachtig.’
Toen reikte zij het kind weer aan de geheel onthutste Geerte van Arcen.
En zij zegende dit kind. Met beide trillende handen op de Hollands-blonde haren.
‘Ik verwacht je morgen, Geerte, de gehele dag. In het huis, dat eens zal toebehoren aan je zoon. Zo God wil na jaren en jaren van vrede en geluk.’
Genendel bath Micha verliet het huis. Liep rechtop. Maar wat moeizaam. Juana de la Calle zag als eerste een flits van de naderende ouderdom.
Tien blanco wissels. Een ganzeveer. Een sierlijke krachtige vrouwenhand. Zij tekende Genendel Mocatta van Antwerpen.
Zij reikte de wissels aan Gabriël Baëna. En het Mocat-ta-tegoed in Salamanca, in Burgos, in Toledo stond tot