zijn beschikking. Christen- en Mamnos-bankiers moesten op zicht uitbetalen wat de reisfactoor nodig achtte.
‘Vertrek, Gabriël. Gezegend zij je reis. Gezond weerom!’
Hij kuste haar hand, boog voor Geerte van Arcen.
Hij pakte beide handen van zijn Juana.
Langzaam boog hij zijn hoofd, kuste innig de toppen van haar vingers, de ogen gesloten. Zij hield haar hoofdje achterover, tranen rolden langzaam naar de mondhoeken. Zijn Gittele.
Toen ademde hij diep. Eén keer. En hij stond weer rechtop, de kaken opeen. Even puntte hij met vlugge vingers het kneveltje, keerde zich om. Het was alsof Jo-sua Mocatta de kamer verliet.
Gespierd, breed in de schouders, de rug recht en lenig, smal in de heupen, de lange benen stevig in de juchtleren rijlaarzen.
Zij hoorden de korte bevelen in de hof.
Zij hoorden het hinniken van de paarden.
Zij hoorden het aanzwellen van het hoefgedreun onder het gewelf van de hofpoort.
Zij hoorden het wegsterven.
Het escorte reed.
Gabriël Baëna reed.
Om zijn broodheer te lossen ...
295