Gierend klonk Geertes verdriet en ontspanning. In de blanke mouw van haar overhemd snikte zij uit. Toen keek ze op. Lachte. Sloot haar ogen. Geluk trok over haar gezicht.
‘Waaraan dank ik de eer van uw komst, senhora?’
‘Om u te zeggen dat het lang zal duren voordat senhor Mocatta weer hier terug kan zijn, Geerte van Arcen.’
‘Ik kan wachten. Ik zal wachten, senhora.’
Verbaasd keken Genendel en Juana naar de verandering van Geerte. Verdwenen waren het verdriet en de vrouwelijke hulpeloosheid. Ze vervolgde:
‘Wanneer het goud faalt, senhora?’
Genendel schokte even met de schouders, keek naar de grond. Twijfelend om een antwoord.
‘Kijk op, senhora.’ Het klonk als een bevel. En de machtige koopvrouw keek op. Juana werd bleek.
Geerte van Arcen rukte haar keurslijf open. Haar borsten waren zichtbaar. Zij tilde haar rokken op tot boven de knieën, toonde haar prachtige benen.
‘Senhora, wanneer uw goud niet spoedig werkt, zal ik vechten met deze wapens. Volksvrouwenwapens. Hoe-renuitrusting.’
‘Geerte,’ gilde Juana de la Calle.
‘Voor mijn kerel, mijn leven .. . Alles! Noem de naam van de eerste schakel, senhora. En geef me een escorte. Zoals vroeger bereik ik Spanje nooit.’
Genendel herwon zich zelf op slag.
‘Geerte, die man is me even lief als jou. Hij is mijn stiefzoon, vanaf zijn kinderjaren heb ik hem opgevoed en me aan hem gehecht. Morgen zal ik beginnen. Kom bij ons. Ik wil dat je getuige bent bij wat het Huis Mocatta gaat doen.’
293