Onafwendbaar kwam de dag. Het gesprek dat komen moest tussen Genendel en Geerte.
Genendel zat die ochtend reeds meer dan een uur bij haar venster. Zij dacht en dacht tot een lichte hoofdpijn haar begon te hinderen. Al die tijd was Juana de la Calle bij haar.
‘Gittele, ik zal moeten gaan naar die vrouw. Ik ben bang geworden. Sinds dagen is er geen koerier gekomen van Manuel Zacuto.’
‘Geen tijding, goede tijding, senhora.’
‘Zeg dat tegen het hart! Het lacht om zulke spreekwoorden. Het verlangt te weten, het verlangt te juichen of te huilen. Kom, we zullen dat hart bedriegen en gaan praten met die vrouw.’
‘De moeder van senhor Ido’s kleinzoon, senhora!’
‘Die vrouw, voor mij blijft ze die vrouw . . . die hoer!’
‘Senhora!!’
‘Vergeef me, Gittele. Ik ben zo angstig, zo anders dan anders. Kom, we gaan!’
Zij wandelden. Genendel had verlangen naar frisse lucht en beweging.
En in Geertes huis stonden zij tegenover elkaar. Koel, vijandig.
‘Ik moet u spreken, Geerte van Arcen.’
Geerte werd bleek. Haar kinnetje trilde. Haar ogen vulden zich, werden weer licht door tranen.
‘Is hij vermoord?’
Haar vingers, haar nagels klauwden zich vast op de hoge jukbeenderen. Dit leed ontroerde Genendel niet.
Zij antwoordde trots:
‘Nee. Ons goud houdt hen in bedwang.’
‘Goddank.’
191