‘En wat dan nog, heer Fugger?’
Geheel verbaasd staarde de bankier hem aan. Schreeuwde:
‘Mens, heb je dan geen gevoel?’
‘Jawel, heer Fugger. Het is echter anders dan dat van ulieden. Er zal nooit een Jood worden geboren die een bezoeker dreigt met een kastijding, de tortuur van een Amtmann en daarna het schavot. Bij een Jood is een gast heilig. Het zou kunnen gebeuren dat God zelve te gast kwam. Of Zijn aartsengel. Denkt u eens in dat een mens zich vergrijpen zou aan Godzelve.’
Steunend met beide handen op het tafelblad rees de oude Fugger langzaam op uit zijn zetel. Hij staarde Ne-hemia bar Simeon aan, sloeg met de volle vuist op tafel.
‘Vervloekte dwaas, dat was een Godslastering. Wat wil je?’
‘Wissels kopen.’
‘Wat?!’
‘Prima wissels op Iberische huizen. Eenhonderdne-gentig duizend thaler. Ik betaal met zilver.’
De bankier bekeek hem van terzij. Wantrouwend maar niet meer vijandig.
‘ Waar zij n die thalers?’ vroeg hij.
‘Hierin Augsburg. In “Het Wapen van Trier”.”
‘Wat wilt u doen met die wissels?’
‘Een Jood loskopen van de galeien of het schavot.’
‘Die zal hij wel verdiend hebben. Maar ik geloof u niet. Honderdnegentigduizend thaler voor een Jood?’
Nehemia bar Simeon knikte langzaam, antwoordde:
‘Ja. Honderdnegentigduizend thaler voor een mens. Wanneer men u honderdnegentigduizend thaler zou hebben gevraagd voor een oorlog, zoudt u dat geld geven?’
288