naar die leer nooit mag worden vergoten. Shaddai, verlicht mijn weg ...
De ochtendschemer begon 2ijn kamer binnen te dringen. Hij stond op om te gaan slapen. Toen hij na enige uren ontwaakte wist hij het. Fugger-wissels brengen naar Genendel bath Micha. Zij zou wel weten waar die schuldbrieven moesten worden ingezet.
Hij liep naar Augsburg. Zoals hij zijn leven lang gegaan was. Met Jodenhoed en Jodenlap.
Zo verscheen hij in het Fuggerhuis. Hij wachtte geduldig totdat de klerken hem wilden zien, hij verkreeg gehoor bij Jacob Fugger nadat hij een Duitse naam had genoemd. Jörg Kern. De man stond niet op, hij vroeg ook niet of Nehemia bar Simeon plaats wilde nemen. Bijzonder lang monsterde hij het gezicht van de oude Jood. Zag de jaren, de zorgen, de verwachting. Maar hij zag geen vrees.
Hij ademde diep, tikte met zijn zegelring op het zware houten tafelblad, zegde:
‘U hebt Jörg Kern als referentie genoemd. Hoever strekt uw relatie met deze grote Hanze-koopman? Of was zijn naam een middel om hier binnen te dringen?’
Nehemia bar Simeon bewoog zijn kaken, smakte even, streek met zijn linkerhand over snorren en baard, telkens weer. En keek onvervaard en langdurig in de ogen van de oude bankier. Antwoordde na een tijdje:
‘En wat dan nog, heer Fugger?’
‘Dit, Jood. Ik zal je mijn huis laten uitranselen. En je overgeven aan de Amtmann.’
‘En wat dan nog, heer Fugger?’
‘Wat dan nog? .. . Wat dan nog? Het schavot!’
287