‘Gabriël, ik reis naar Spanje.’
‘Waarom, senhor Mocatta?’
‘Ik heb er iets te doen.’
‘ Wilt u vertellen wat?’
‘Nee, ik heb iets te regelen.’
‘Wanneer?’
‘Morgen.’
‘Ik zal vannacht het escorte samenstellen, senhor?’
‘Nee. Ik zeil mee op de kogge naar Porto.’
‘Ik zal vannacht de schipper orders geven.’
‘Nee. Ik kom aan boord op het laatste ogenblik.’
‘Mag niemand iets weten?’
‘Eén. Geerte van Arcen. Een uur na het uitzeilen, moet jij het haar vertellen, Gabriël.’
‘Dat zal gebeuren, senhor. Wanneer keert u terug?’
‘Zodra ik klaar ben.’
Gabriël Baëna glimlachte vreemd. Knikte almaar heel voorzichtig, als zachtjes wiegen.
‘Geld, senhor?’
Nee. Wat ik nodig heb neem ik op bij het Huis Zacuto in Segovia.’
‘Ah!’ riep Baëna geschrokken.
‘Ja . . . dat is het. Gracia Nunez in dat klooster bij Segovia. Lieg voor mij tegen Geerte van Arcen. Na mijn belofte te hebben ingelost ben ik eindelijk voor haar. Honderd ten honderd. Ben je een Mocatta-man, Gabriël?’
‘Ja, senhor. Zend uw geheime koeriers naar mij. Ik wil weten hoe u reilt en zeilt.
‘Zo nodig, doe wat. Je kent de manier.’
‘Ja senhor. Ga met God.’
De handdruk duurde lang. Hun blikken nog langer.
Twee mannen. Vermetel en bekwaam.
281