strak blauwe hemel. Bijna geen wind. De boeren tuurden even met genepen ogen hemelwaarts. En zeiden dat het weer vast zou blijven. Dagenlang. Die dag reed Jo-sua Mocatta naar zijn lief.
‘Het is tijd, Geerte. Het weer is gunstig. Een dag en een nacht zeilen en je bent aan de overkant.’
Zij wachtte met haar antwoord, hij fronste zijn wenkbrauwen, want haar houding was verzet.
‘Geerte, hoorde je me niet?’
‘Maar al te goed. Luister jij nu ook even goed, Josua. Ik ga niet.’
‘Waarom zeg je me dat nu pas, Geerte?’
‘Heb je mij toestemming gevraagd om over mijn leven te mogen beschikken? Wij gaan niet!’
‘Wij?’
‘Wij.Idoenik.’
‘Maar kind, het gevaar! Ik wilde toch mijn fout goedmaken? En waarom heb je dit niet onmiddellijk gezegd toen ik uit Engeland terugkwam?’
Zi j haalde haar schouders op. Keek hem hoogmoedig aan.
‘In dit land zegt men: Komt tijd, komt raad. Waarom zou ik de tijd dat je weer eens bij me was verknoeid hebben? Ik ben weer een maand gelukkig geweest. Die heb ik tenminste genoten. Verkoop dat landgoed maar, ik blijf.’
‘En je angst?’
‘Is mijn zaak. Een sterk wijf heb je me genoemd. Dat ben ik, zo heeft mijn verleden me gemaakt.’
Hij wuifde iets hinderlijks weg, drentelde gejaagd door haar kamer.
‘We zouden daar nooit meer over praten, Geerte!’
276