Verbaasd en verrukt stond hij stil en staarde haar aan. Al haar gelaatstrekken waren scherper en mooier. De schuine stand van de wenkbrauwen, de hoge jukbeenderen, de neus, de altijd zo mysterieuze mond. En vooral die groengrijze ogen. Hij moest zich bedwingen om haar niet in het gezicht te slaan uit minnenijd. Want zó keek zij ook naar andere mannen. Zo moest zij kijken, zo was zij geschapen, geboren met een hoerensmoel... Mocatta!... Senhor Mocattaü beheers je ... oordeel niet naar een impuls... zij is de moeder van je zoon... en haar gezicht heeft zij niet zelf gemaakt. Mocatta, oordeel niet naar een uiterlijk ...
Hi j beet zich op de onderlip, bedwong zijn opgekomen jaloerse drift. Toen stond hij voor haar, omvatte met beide handen haar gezicht en keek en keek, in die vreemde, vreemde groengrijze vensters. Zij weerstond zijn blik, haar ogen werden iets warmer, toen een spottende vonk. Hij kuste die ogen, wild en driftig, omdat hij die vonk niet wilde zien. Die vonk, die vonk, hoeveel keren hadden andere kerels die gezien. Vroegerl
Hij liet haar los, wendde snel zijn hoofd terzij, stapte langs haar heen naar het venster, staarde naar buiten. Opeens stond ze naast hem, pakte zijn pols, liet haar strelende vingers glijden over zijn handrug. Hij greep ze, kneep en kneep, maar zij gaf geen kik.
‘Kerel/ fluisterde zij.
‘Wijf... sterk prachtwijf/ gromde hij gesmoord terug.
Stilte. Heel lang. Toen, hij:
‘Waarom heb je je zo mooi gemaakt?’
‘Voor jou. Al dagenlang. Ook nachtenlang.’
‘Heus? Alleen voor mij... bedrieg me niet, Geertel’
*74