‘Nog even, Juana, héél even. En dan kun je gaan, vrij tot overmorgen. En knuffel, mijn kind, ah, wat is de jeugd toch heerlijk.’
Vergenoegd schudde ze langzaam haar hoofd. Niemand zou ooit weten, welke jonge kerel die avond voor haar ogen was teruggekeerd. Zeker niet de baardige solide, te rustige Ido, haar tweede man.
Josua’s persoonlijkheid bracht de zekerheid terug in het Huis Mocatta. De schrijvers hadden zijn bruisende energie bij het brievendictaat gemist. Het kadevolk en de pakhuisknechten verwachtten weer zijn snelle alles ziende controle, de schippers vreesden weer zijn scherpe vragen over alles wat hun kogge betrof. Een kerel was weer thuis. Zo moest een broodheer zijn. Krachtig, streng, betrouwbaar.
Twee dagen na zijn terugkeer, toen hij het gehele Huis Mocatta door zijn kundige leiding weer voelde trillen van ondernemingslust, ging hij naar zijn Geerte. De aarde verwachtte de zwartblauwe stolp met de sterren. De vallende avond.
In haar woonkamer stond zij met de rug naar het venster. Hij zag haar donkere silhouet verleidelijk getekend tot vlak onder de heupen door het slank makend keurslijf, overgaand in breed uitstaande rok.
Zij hoorde hem en keerde zich om.
Heur haren droeg zij niet weelderig puilend uit haar traditionele boerenhoofddoek. Zij lagen strak gekamd, vanaf het midden van haar voorhoofd streng gescheiden, erover een netkapje van de Florentijnse vrouwen. Bezet met parels op de mazenhoek.
273