moedig voor God de Almachtige, Die schonk en schonk met gulle handen vol, onmeetbaar veel, ontelbare keren.
Genendel had een grote stoel laten plaatsen op het kleine grasveldje van de moestuin. De bloemen had zij de gehele dag gezien, daarom nu het gewas. Juana de la Calle zat plichtsgetrouw naast haar. Een beetje stuurs en ontevreden. Genendel keek tersluiks naar haar hoogmoedig profiel dat toch allengs zachter werd door de overwinnende schemer.
‘Juana!’
‘Senhora?’
‘Ben je boos?’
‘De vrouw des huizes verwacht dat haar dienstmeid niet boos is in haar aanwezigheid, senhora.’
‘Waarom zo bitter, Juana?’
‘De waarheid is meestal bitter, senhora.’
‘Wat heb ik misdaan, Juana.’
‘De vrouw des huizes misdoet nooit iets. Ze is altijd rechtvaardig en weet op het juiste ogenblik wat zij moet toestaan of verbieden, senhora.’
Plotseling overviel de drift. Genendel pakte de armleuningen van haar stoel. Stond, stampvoette, riep:
‘Zwijg, Gittele, of ik sla je links en rechts in je gezicht. Verdwijn. Hij wacht misschien al te lang.’
‘Ja, senhora, hij en ik, we wachten sinds gistermiddag om eindelij k elkander te kunnen knuffelen. ’
‘Meer niet?’ riep de woedende Genendel.
‘Veel meer, senhora, maar voor u en de mensen blijven we het liever knuffelen noemen.’
Even plotseling als haar drift was opgekomen, schoot Genendel in de lach. Het klonk jong, opgewekt, zonder wraakzucht. En ze nam weer plaats.
272