‘Waarvoor is dat, koopman,’ vroeg de schipper wantrouwend en keek hem aan met de wenkbrauwen gefronst.
‘Zomaar . . . omdat ik bijzonder tevreden was met de overtocht.’
De schipper schoof het goudstuk terug, greep een groot stuk worst en met volle mond antwoordde hij:
‘Ik wil niet meer dan ik bedongen heb. Ik blijf vrij totdat de zee me verzwolgen heeft. Wat er boven ons is weet ik niet, misschien loop ik in de eeuwigheid met een koord om mijn hals of lig voor altijd met de laars van Petrus in mijn nek. Tegen daarboven kan een mens geen praats hebben.’
Hij stond op. Stak zijn zware vereelte hand uit. Ook Mocatta en Baëna stonden op, schudden die zware vis-sershand. De schipper zei:
‘Wanneer, koopman?’
‘In hooimaand open ik hier een kleine factorij. Meld je bij de factoor, hij zal de vrachten met je regelen. Akkoord?’
>•’
Baëna noteerde met zijn grafietstift de naam van de schipper en waar hij woonde. Toen liet hij hem driemaal herhalen waar het Huis Mocatta in Antwerpen te vinden was. Baëna had geleerd om te gaan met volk dat lezen noch schrijven kon.
Einde van bloeimaand 1502 kwam Mocatta terug in Antwerpen. De vallende avond van de dag na zijn thuiskomst was warm en licht, de voorzomer prikkelde mens en dier en gewas. Maakte hen blij met verjongde levenslust, maakte hen tevreden met hun bestaan. Maakte hen oot-
271