‘Mazzel-tob ... Mazzel-tob ... u bent nu alles grondig kwijt. . . senhor Mocatta.’
Het deinende dek sneed het gesprek af, ieder wankelde naar zijn boord. De zee deed zijn reinigend werk. Tijdens het opvaren van de Maas herstelden zij langzamerhand. In Rotterdam waren zij genezen. Josua Mocatta nodigde de schipper uit voor het middagmaal, de man weigerde, hij was gewend aan vis. Maar een dronk nam hij aan. En tijdens het drinken in een herberg vernam Mocatta veel over het ongewisse van het vissersleven en de geringe besommingen van de vangsten. Daarom vervoerde deze visserman graag personen en soms kleine vrachten, de prijs was vast en vooruit bepaald. Nadenkend knikte Baëna, keek vluchtig naar zijn broodheer, die glimlachend terug knikte.
‘Schipper, we hebben geregeld te vervoeren. Maar soms ver weg. Naar de Denen, naar de Portugezen, soms naar Visby en Danzig. Altijd met retourlading. Is dat wat voor je?’
‘Ik vaar niet als knecht/ gromde de schipper en zette zijn kroes krachtig op tafel.
Bier gulpte over de rand, zijn hand werd nat. Zijn grote witte tong likte de handrug behaaglijk droog.
‘Dat willen wij ook niet, we hebben eigen schippers genoeg. Maar dikwijls is er onvoldoende lading voor een eigen kogge. Je kunt dan varen voor ons én voor andere kooplieden. Zoals het valt... soms dikwijls . .. soms weinig/ antwoordde Baëna onverschillig.
‘Ja ... dat lijkt me wel/ zei de schipper en loste gretig een nieuwe kroes Delfts bier in zijn mond. In één teug.
Baëna telde het vaarloon neer voor de schipper. Mocatta legde nog een goudstuk toe.
270