Bedachtzaam dionk zij haar Bourgonje. Totdat zij opeens opstond en door de kamer dwaalde, hier en daar achteloos wat schikkend. Zo nu en dan starend naar het wagenrad dat van de zolder afhing, en met zijn brandende kaarsen diende als lichtkroon.
Hij wachtte, het hoofd afgewend, tot het uiterste gespannen.
‘Gabriël, wat wilde hij beginnen na zijn reis naar Milaan en Venetië?’
‘De import van wol uit Engeland.’
‘Wat zit daarin?’
‘Ik weet het niet. Gent en Brugge en leper hebben de markt in handen. Ik geloof niet dat hij zal slagen.’
‘Wie is jullie man in de City?’
Met een ruk keerde hij zijn hoofd naar haar toe. Zij stond midden in de kamer, een hand steunend op de grote kostbare tafel.
‘Juana ... herinner jij je het bezoek van Loys de Negro en Dona Raquel?’
‘Ja-’
‘Die man heeft senhora Mocatta benoemd als onze vertrouweling in Londen. Zij heeft hem een groot krediet verleend. Maar de zaken zijn nog nauwelijks begonnen. Zij kochten tot nu toe alleen wat wissels van de Londense goudsmeden. Geen wol.’
‘Welk soort wissels, Gabriël.’
‘Schuldbrieven van de adel. Grote landgoederen zijn zwaar belast.’
Zij drentelde weer. Toen kwam zij bij hem staan, streelde zijn haren en zei:
‘Ga naar Londen, Gabriël. Zoek Loys de Negro en je zult weten waar senhor Mocatta is.’
264