Geerte was weer alleen met haar zoon.
Hij kwam terug. Lenig. Soepel. Opgewekt. Een man in zijn volle kracht, bruisend van levenslust.
Zij zat. Weer bij het venster. Starend, de ogen behuild, een onbestemde angst deed haar pijn rond het hart en in de borst.
Zij keek niet op toen hij binnenstapte en achter haar rug zich vooroverboog om heur haren te kussen, haar oor,haar hals. Toenzijnsterke handenhaarschouders omvatten en haar bovenarmen streelden, huiverde zij. En boog het hoofd. Verwachtend.
De stilte werd beklemmend. Voor haar was er een kloof tussen hen, de eerste na de dag toen zij hem had teruggebracht in het leven.
‘Geerte,’ fluisterde hij in haar oor.
Ze antwoordde niet. Hij streelde haar wangen en kinnetje met beide handen. Voelde haar tranen.
Bruusk wendde hij haar hoofd achterover en zag de diepe angst en droefenis. Voor het eerst sinds hun samentreffen, voor het eerst zag hij een andere dan zijn kordate flinke Geerte.
‘Wat is er, Geerte?’
Zij maakte met haar sierlijke krachtige handen de zijne los van haar wangen, schudde even het hoofd en stond. Keerde zich naar hem en keek. Koel, vijandig. Een vrouw van een ander volk.
‘Ik wil hier weg.’ Ze fluisterde bijna.
‘Geerte!!’ Zijn gezicht versteende, was bleek onder de uitheemse gelaatskleur. Zijn ogen gloeiden. Een man van een ander volk.
‘Alleen?’
260