‘Nee, joffrouwe, nee. Ik wilde u waarschuwen op mijn manier.’
‘Bewijs alles wat je beweert, maerte.’
De maerte liep langzaam naar de wieg. Wees naar het kind.
‘Zal ik de boreling wassen? En het u tonen?’
De vrouwen keken elkander strak aan. Het weerlichtte in Geertes ogen, in die van de maerte doofde een boosaardige vonk.
‘De eerste van bloeimaand zal ik uw jaarloon verdubbelen, maerte,’ zei Geerte. De aderen in haar slapen klopten, haar handen werden klam.
‘Niet nodig, joffrouwe. Ik vertrek. Want ik ben bang voor de pijnbank. Ik zal er nooit meer over praten, maar neem een raad van mij aan. Was uw zoon altijd zelf en laat hem nooit samen zwemmen met de jongens van het land.’
Geerte knikte langzaam en gelaten. Voor het eerst in haar leven voelde zij een breidel die zij aanvaardde. De maerte deed een paar stappen, stond voor haar. Weer keken beiden elkander aan. De ogen van de maerte waren zacht geworden. Ze zegde:
‘Ik hou van dit kind. Het mijne stierf in de hooiberg waarop ik het ter wereld bracht. Daarom. De man die mij verkrachtte was een Boheemse schutter, een heer Mocat-ta was jammer genoeg voor mij niet voorbestemd. Ik zal bidden en de Moeder Gods zweren, dat ik zwijgen zal voor altijd.’
Toen nam de maerte het kind uit de wieg, kuste het teder. Bij de deur zegde zij, met afgewend gelaat:
‘Ik zal het middagmaal gereedmaken voor u en Senhor Mocatta.’