‘Weet je dat zo zeker, Jehoshua? Van de Joden is het heel zuiver, dacht ik.’
‘Lees de thora nauwkeurig, moeder Genendel. Chal-deeuws, Egyptisch, Assyrisch, Perzisch, en na de verwoesting van de tempel... Romeins, Moors, ga maar voort. Neen, moeder, eensoortig bloed bestaat niet. En het zou ook niet goed zijn.’
Hij bleef vóór haar staan, keek op haar neer. Bijna driftig riep hij haar toe:
‘Ido, mijn zoon, heeft gemengd bloed. Hij is mij er niet minder lief om. En van haar houd ik. Ziekelijk veel. Ik kan niet meer zonder haar.’
‘Die ... !’
‘Ja, dié! Van haar, zoals zij is, zonder verleden. Twee mensen ontmoeten elkander, gaan in elkaar op en hun verleden wordt afgelegd als een vuil versleten hemd. Een nieuw leven bestaat niet, moeder, dezelfde mens leeft voort, mijlpaal na mijlpaal.. . maar zonder dat oude hemd, zijn verleden.’
‘Gracia Nunez?’ fluisterde Genendel en durfde niet op te kijken.
‘Weggezeild uit mijn herinnering, moeder, zoals alles wegzeilt uit ieder mens. U, moeder, leeft mijn vader nog in uw herinnering?’
‘Ja, en in je zeemansbeeldspraak zal ik antwoorden. Het schip, genaamd Ido Mocatta, ligt voor altijd verankerd in de grond van de veilige baai, genaamd Genendel bath Micha.’
Zij stond. Bruusk het hoofd in de nek, de ogen hard en fonkelend, in opvlammende drift. Zij ging verdedigen wat haar dierbaar was. En gelijktijdig aanvallen wat als vreemd binnengedrongen was in haar leven. Die!
250