jaar pet speciale koeriers, in wissels op de Hanzesteden en de City Londen. Geen baar geld onderweg, moeder.’
Zij knikte begrijpend en toestemmend.
‘Hoeveel van ons vermogen steek je in deze bankzaken, Jehoshua?’
‘De helft, moeder. De andere helft zullen wij bezighouden in onze handelszaak. Ik heb het risico verdeeld. Zo hebt u het toch liever? Het oude, en toch ook iets nieuws proberenl’
Zij antwoordde opgelucht:
‘De helft is altijd nog voldoende om er rustig van te kunnen leven, mijn jongen.’
‘Ja, moeder.’
Zijn gelaatstrekken werden gespannen en nadenkend. Toen stond hij op, drentelde door de kamer. Hier en daar bekeek hij miniaturen, kleine beeldjes en het zilverwerk, dat Genendel sedert zijn vertrek had verzameld. Zij keek opmerkzaam naar de belangstelling die hij toonde, zegde:
‘De schippers en de konvooileiders weten blijkbaar wat ik steeds zoek en mooi vind. En zij hebben smaak. Dat verwondert mij steeds opnieuw.’
‘Vlamingen, moeder. Een volk met gevoel onder een ruwe huid.’
Lange tijd zeiden zij niets, totdat opeens Genendel vroeg:
‘Is je liefje een Vlaamse?’
‘Nee, een Hollandse.’
‘Haar gezicht is niet Hollands. Er is vreemd bloed in haar.’
‘Ja, bloed uit het Verre Oosten. Tussen India en Cathay. Het is niet te bepalen. Van niemand is het te bepalen.’
249