om het gezichtje wat terzijde en keek aandachtig naar Ido. Hij glimlachte, zijn groengrijze oogjes glansden. En, ondanks zich zelf, glimlachte Genendel terug en streek met haar wijsvinger langs zijn wangen en kinnetje.
‘Ik veronderstel dat u zich wilt terugtrekken, Geerte van Arcen, en wat rusten.’
‘Jawel, senhora. ik wil mijn zoon verzorgen.’
Zij keken elkander aan, koel, nog niet vijandig. Een eerste verkenning.
‘Juana, wijs juffrouw Geerte van Arcen de weg naar haar kamer. En zorg ook voor de kindermaerte. En laat onze maerte zich ter beschikking houden met alles wat verlangd wordt. Neem mijn plichten nauwkeurig waar.’
‘Jawel, senhora.’
Zij waren alleen. Genendel en Josua Mocatta. Zij nodigde hem uit tegenover haar plaats te nemen aan het tafeltje bij het tuinraam.
‘Wat wil je drinken, Jehoshua? Bourgonje, Rijns, Je-rez?’
‘Niets, moeder Genendel. Hoe is uw gezondheid?’
‘Onbeschrieë,’ antwoordde zij nadrukkelijk, met één heftige hoofdknik.
Hij glimlachte haar toe.
‘En, moeder Genendel, wat is er hier voor nieuws?’
‘De eerste commies heeft de cijfers voor je gereedgemaakt. Het jaar 1500 was voorspoedig, dit jaar tot nog toe nog beter.’
‘Hoeveel koggen hebben wij verloren?’
‘Twee.’
‘Op hoeveel reizen?’
‘Op honderddrieënvi jftig.’
‘Zijn de koggen vervangen?’
247