wagen stond Geerte van Arcen, de kindermaerte naast haar met Ido in de armen. Hij reikte Geerte de hand en, even lenig als hij, sprong zij op de grond. Maar voordat zij de schrijvers en de knechten groette met een wat stuurse hoofdknik, hielp zij behoedzaam de maerte en het kind uit de wagen. Toen verspreidde zich de kleine menigte, het dagelijks werk werd hervat. In de hof werden de voerlieden en de mannen van het escorte luidruchtig, vrolijk en bedrijvig. Het ontbinden van het konvooi, het verzorgen van paarden en have was begonnen. Gabriël Baëna begeleidde hen tot de hofdeur die naar de hal voerde. Daar wachtte Jehan, de major domus. Hij begroette zijn broodheer en Geerte, die allengs stugger was geworden. Jehan zei:
‘Senhora Mocatta verwacht u in haar kamer.’
Josua knikte met een flauw glimlachje, het kookte in hem. Waarom zo een vijandige ontvangst door moeder Genendel? Waarom was zij, zijn deelgenoot in het handelshuis, niet in de hof gekomen? Wachtend aan het hoofd van al het volk?
In haar grote woonkamer zag hij haar zitten op haar vaste plaats bij het tuinraam. Juana de la Calle stond achter haar stoel. Genendel rees op, kwam naar hem toe. Omvatte zijn gezicht met haar beide handen en kuste hem op het voorhoofd.
‘Welkom thuis, mijn jongen,’ zegde zij. Daarop keerde zij zich naar Geerte.
‘Welkom, Geerte van Arcen.’
Geerte zweeg, stroef, onhandig, boers, zichtbaar onwillig.
Genendel deed een paar stappen naar de maerte en het kind. Met haar sierlijke vingers streek zij de reisdeken
246