Herfst. Een klein konvooi keerde terug in Antwerpen. Een konvooi van drie reiswagens getrokken door Friese paarden. Een escorte van twaalf bereden mannen onder bevel van de vertrouwde Vlaamse homan van het Huis Mocatta. In de eerste wagen reisden twee schrijvers en een kamerdienaar. In de tweede Josua Mocatta, zijn concubine Geerte eneenmaertemetdeborelingldo.Dederde wagen vervoerde bagage en leeftocht voor allen. Het escorte was verdeeld over de trein. Voor, terzijde en achter.
In de binnenhof dromden de schrijvers, de pakhuisknechten en het kogge volk. Want de jonge patroon zou terugkeren van zijn reis naar Milaan en Venetië. Toen Mocatta’s wagen de hof was binnengereden, namen allen hun muts af. Een diepe stilte. De voerman opende het zware portier. Mocatta sprong lenig op de grond, monsterde langzaam van links naar rechts, van rechts naar links, al het volk van het handelshuis. Toen knikte hij glimlachend, opgewekt. En zij zagen hem weer zoals hij in het voorjaar vertrokken was: rijzig, slank, wilskrachtig en verzorgd. Een handelsheer was teruggekeerd, hun broodheer was weer thuis.
Gabriël Baëna kwam naar hem toe, boog. In het bijzijn van de schrijvers en de knechten werd afstand streng bewaard. Handelsheer en eerste reisfactoor, voor de gemeenschap waren hun plaatsen nauwkeurig bepaald.
‘Welkom, senhor Mocatta, welkom thuis.’
‘Dank u, senhor Baëna, is alles wel?’
‘Goed en minder goed, senhor.’
‘Geen kwaad nieuws, hoop ik, senhor Baëna?’
‘Zoals ik gezegd heb, senhor Mocatta, goed en minder goed. Geen kwaad.’
Josua Mocatta knikte. Toen keerde hij zich om. In de