‘Omein,’ fluisterde Riwke.
Toen nodigde Genendel hen uit plaats te nemen bij het venster. En zij rinkelde haar zilveren tafelbel. Juana de la Calle trad binnen, wachtte.
‘Juana ... Jerez .. .en het gebak.’
Toen zij vertrokken was om de wijn en het gebak te bestellen in de keuken, zei Genendel:
‘Jullie behoeven niet zo krampachtig te zitten en te doen. Juana de la Calle is tow, een Marranenkind dat terug wil naar de jiddischkat. En gaat trouwen met Gabriël Baëna.’
‘Gabriël Baëna? Hij?’ vroeg Loys de Negro.
‘Ja ... Gabriël Baëna, een joodse jongeman. Vroeger Gershom bar Shlomo. God geve dat het lukt,’ fluisterde Genendel.
‘Mesjoggene wereld, mesjoggene wereld,’ huilde Riwke, ‘de een wil goi worden, de ander wil weer als Jehoede leven. Gottogott, wat een duisternis.’
Loys de Negro sloot de ogen. Tranen welden op onder zijn wimpers en rolden over zijn wangen. Hij fluisterde:
‘Als ik het maar goed doe, als ik het maar goed doe. Het is voor de kinderen ... bij mijn leven ... voor de kinderen.’
Spontaan stond Genendel op, pakte zijn hoofd tussen haar handen, zoende hem op de betraande ogen, zegde:
‘Vertrouw op God. Hij zal je weg altijd bewaken. De weg van een goed mens. Riwke, zoen je man. Hij is het waard.’
Toen stond Riwke op om haar man te steunen met een zoen en Genendel, vóór het venster, bad. Twee joodse mensen offerden zich op voor het leven van hun kinderen. Lechaïem, het hoogste gebod.
244