‘Gittele, blijf bij mij. Er komt bezoek. Sinds een paar dagen heb ik last van lach- en huilbuien. Wanneer ik er zo een krijg, dan moet jij de honneurs zolang waarnemen.’
‘Jawel, senhora. Maar zoudt u de dokter niet eens ontbieden?’ vroeg Juana ernstig.
‘Neen, Juana, het zal wel overgaan.’
Genendel ontweek de onderzoekende blik van haar kamenier.
En toen die namiddag Loys de Negro zijn hoofse buiging maakte voor Genendel en daarna met Spaanse grandezza en sierlijk handgebaar Dona Raquel voor haar leidde en een revérence liet maken, kreeg Genendel inderdaad een hevige lachbui en daarna huilde zij. Loys de Negro schrok. Een paar vlugge passen en hij stond vlak voor haar.
‘Senhora, wat scheelt eraan? Bij mijn vorig bezoek waren uw emoties toch zo volkomen evenwichtig. Begint de afwezigheid van Don Josua u zo te drukken? Kom, kom, dat gaat voorbij. Bitter en zoet, zij volgen elkaar gelukkig altijd op. Kom, kom.’
Genendel droogde haar ogen. Zij glansden weer ondeugend. Zij maakte een uitnodigend gebaar om de trap naar de eerste verdieping te bestijgen. En stilzwijgend, wat plechtig, gingen zij naar Genendels woonkamers. Genendel en Dona Raquel, achter hen Loys de Negro, achter hem Juana de la Calle.
In de kleine hal van de eerste verdieping betrok Juana de wacht in een hoogleunige kloosterstoel, nadat Genendel met haar gasten was binnengegaan in haar woonkamers aan de tuinzijde. Nauwelijks had zij de deur achter zich gesloten, of zij barstte los met één woord:
‘Oi?I’
241