‘Klopt je hart sneller wanneer hij in je nabijheid komt?’
‘Neen, senhora.’
‘Klopt je hart sneller wanneer je aan hem denkt? Ik bedoel, wanneer je alleen bent ’s avonds en op je kamer, of in de tuin? Of wanneer je in de stad wandelt?’
‘Neen, senhora, mijn hart klopt niet sneller. Maar ik heb wel een vreemd gevoel over mij
‘Waar, Gittele?’
‘Senhora .. .u laat mij blozen.’
‘Heb ik al gezien, Gittele. Maar dat vreemde gevoel is nog geen liefde. Dat is meestal alleen maar hartstocht. Die man móet in je nabijheid leven want ik geloof niet aan hartstocht op een afstand.’
Juana de la Calle stond bruusk op. Het lege glas trilde even in haar handen. Genendel glimlachte jolig, ging voort:
‘Gittele, Gittele, alleen een Ashkenasische man kan je zo noemen. Hier in Antwerpen zijn er bijna geen en die er zijn ... nah ... die zijn getrouwd met hun boeken, soms met boeken en een vrouw. Blijft over een ongetrouwde Ashkenase, vlak in je nabijheid. Laat mij eens even nadenken, Gittele. Ik geloof dat ik hem ken. Of zal ik maar niet nadenken, Gittele? Nah?!’
‘Denk maar niet na, senhora. Dat vermoeit u maar.’
‘Ik ben nog jong en goed gezond, Gittele,’ riep Genendel geïrriteerd, ‘dat nadenken over Gabriël Baëna vermoeit mij helemaal niet.’
‘Senhora!!’
‘Nah, mijn kind, schreeuw maar niet zo. Ik zal je niet verraden. Weet Gabriël zelf al dat hij uitverkoren is en dat je ergens aan een vreemd gevoel lijdt?’
‘Ja, senhora. En hij weet nog meer.’
238