‘Mijn respect, Juana. Ik wilde je niet kwetsen.’
‘Ik dank u, senhora, mijn respect.’
Genendel at. Juana at. En langzaam dronken zij de lichtwrange goudgele Jerezen beiden zwegen korte tijd. Toen:
‘Juana?’
‘Senhora?’
‘Juana, Marranendochter, zou je deze middag willen komen logeren in mijn Ashkenasische wereld?’
‘Wanneer ik u daarmee genoegen kan doen, dan gaarne, senhora.’
‘Kan ik rekenen op je zwijgzaamheid, Juana?’
‘Marranos zijn even trots als alle Iberiërs, senhora. Ons woord is ons woord.’
Genendel knikte langzaam, vele malen, zei kinderlijk opgetogen:
‘Juana, weet je hoe je heten zou als Ashkenasische Jodin?’
‘Ja, senhora, Gittelel’
‘Hè?! Hoe weet je dat?! Ik was net zo blij je als eerste zo te mogen noemen en nou weet je het al. Wie heeft je dat verteld?’
‘Ach, senhora, wat doet het ertoe. Wie? Wie is wie? In dit geval heeft wie toch alleen maar voor mij enige betekenis!’
‘Enige betekenis? Ach Gittele, hoeveel is enige betekenis?’
‘Dié betekenis is niet te meten, senhora.’
‘Schenk mijn glas nog eens vol, Gittele. Ik wil trachten die betekenis te meten. Antwoord. Klopt je hart sneller wanneer je zijn naam hoort?’
‘Neen, senhora.’
237