Opmerkzaam bekeek Genendel nog eens haar kamenier. Juana doorstond haar blik, maar met een hoogmoedig glimlachje. Genendel zei:
‘Ai, Juana, zeg je dat om mij plezier te doen?’
‘Neen, senhora, ik meen het werkelijk.’
‘Ook met zijn bijzit Geerte?’
‘Zeker met de senhores Josua en Ido.’
Genendel tuurde naar buiten. Het glas Jerez liet zij langzaam tussen haar vingers draaien. Zij mijmerde hardop:
‘Ido. Naar mijn man zaliger. Zou hij ervan weten een bastaard-kleinzoon te bezitten?’
‘Ach, senhora, in de hemel is alles mogelijk. Misschien is senhor Ido Mocatta ontboden bij de aartsengel en heeft die het hem verteld.’
Juana lachte, een beetje hoog, een beetje te spottend. Genendel nipte van haar glas, opeens in diepe gedachten verzonken.
‘Zou mijn Ido zaliger toen geschrokken zijn, Juana?’
‘Welnee, senhora. Hij zal heus wel weten dat Don Josua niet van hout is.’
‘Jawel - jawel - maar een kleinzoon uit die vrouw ...’
‘Ach ... senhora, vergeef mij. Maar een man is niet zo kieskeurig. Wanneer hij verliefd raakt is hij zich zelf niet meer.’
‘Ervaring, Juana?’
Genendel keek haar diepvorsend in de ogen.
Juana de la Calle zat ineens rechtop in haar stoel. Wat hoogmoedig, wat misprijzend, wat pijnlijk getroffen.
‘Senhora, ik héb ervaring. Maar ik was gelukkig niet zo een waarom mannen minder kieskeurig werden. Om mij moesten zij bijzonder kieskeurig zijn.’
236