de krijgsoversten. Zij waren onbevreesd en overwonnen. Hij dacht verder.
‘Zouden deze mannen dezelfde moed hebben opgebracht als zij getekend waren geweest door de Jodenhoed en de Jodenlap? Zouden zij . . . neen, zij zouden niet. Zij zouden geen tekens hebben geduld. Zij zouden geen chérem, geen banvloek hebben aanvaard. Van niemand. Zij zouden zich hebben omgord om liever strijdend te sterven.’ Nehemia bar Simeon begon te bidden:
‘Heer in de Hemel, geef hun moed. Doe de Leeuw van Juda ontwaken. Verscheur hun merktekens en neem de chérem van ons hoofd. Amen.’
Straatjongens wierpen met vuil naar de baardige statige Jood, havenvolk schold en dreigde, dienaren van de schout vroegen naar zijn vrijgeleide. Hij bleef trots en recht toen hij het kostbare papier toonde. En toen hem vloekend bevolen werd door te lopen, dacht hij opeens veel milder over Gabriël Baëna en Genendel bath Micha. Omdat niet ieder mens even sterk geschapen is. Omdat niet ieder mens even dapper is. Besmeurd kwam hij in het huis van de joodse wolhandelaar die hem herberg in Antwerpen had aangeboden. Besmeurd door het straat vuil, besmeurd door de merktekens van paus Inno-centius III, de vertegenwoordiger op aarde van Jehoshua van Nazareth, de Jood die Jezus Christus werd genoemd en als de Zoon van Haqodaush-boroech-hoe aanbeden werd, van Gibraltar tot de Noordkaap.
Na het gesprek met Nehemia bar Simeon trok Genendel zich terug in haar kamers. Zij gaf bevel aan de major domus niemand bij haar aan te dienen. Daarop ontbood zij
233