‘Kat en muis, nietwaar, Adoni?’
Zijn gelaatstrekken veranderden, werden hoogmoedig, spottend. De wenkbrauwen iets opgetrokken, de grijze ogen koud. Toen sprak hij weer en klaagde aan:
‘Exodus 20, vers 3.’
‘Wij dienden geen andere góden,’ riep zij driftig.
‘Exodus 20, vers 4.’ De aanklacht ontrolde zich.
Zij schreeuwde, wijzend naar een crucifix aan de wand en een madonnabeeld in een muurnis:
‘Die gesneden beelden heeft Josua daar geplaatst als schilden tegen dit vergiftigde volk, waaronder wij moeten leven.’
‘Exodus 20, vers 2,’ sprak hij tergend langzaam, ‘u had geen vertrouwen in Hem, Die u uit Egypte, uit het diensthuis heeft uitgeleid.’
Zij bonsde heftig met haar vuistjes op zijn borst. Hij glimlachte erom.
Totdat zij hem toebeet:
‘En in een nieuw Egypte, in een nieuw diensthuis bracht.’
Met zijn sterke handen omvatte hij haar polsen. Opeens, angstig, werd zij stil en rustig.
‘Exodus 20, vers 3,’ vervolgde hij koud.
‘Waarom vloekt u ons? Mij deert het niet. Ik heb geen kinderen. Maar Josua’s nageslacht zou het kunnen treffen. Waarom . . . waarom vloekt u zoals al die boosaardige oude mannen uit de thora?’
‘Genendel bath Micha, keer terug. Exodus 20, vers 6. Haqodaush-boroech-hoe zal u dan tellen bij de duizenden die Zijn geboden liefhebben en onderhouden.’ Zijn stem was zacht geworden, alsof hij tot een kind sprak. Hij liet haar polsen niet los. Zij keek terzij naar de
231