u niet, Gabriël Baëna. U werd geboren als Jood, u hebt dus te leven en te lijden als Jood.’
‘Nooitl .. .Ik aanvaard het niet!’
Uitzinnig van drift greep Gabriël Baëna de Jodenhoed van zijn hoofd en slingerde die in een hoek van de kamer. Vervolgde, met trillende vinger ernaar wijzend:
‘Kijk, daar - ddar ligt het stempel door mensen op andere mensen gedrukt en nu het weggerukt is, hier, hier staat de mens die God geschapen heeft. De mens... de vrije mens! Verlos de Joden van die tekens, de hoed, de lap .. . Komlosuituwverstarringü’
Nehemia bar Simeon ademde diep, antwoordde beheerst:
‘Ik wacht op de vinger Gods. Meer rechten heb ik niet. Verdwijn, Baëna. Gij zijt een pestilentie.’
Gabriël Baëna snelde de kamer uit, de zware deur sloot hij niet. Nehemia bar Simeon nam weer plaats en wachtte, wachtte, zijn verdofte ogen turend naar de gevel aan de overzij.
Genendel trad binnen. Bleek, angstig. Nog wat huiverend van het verhaal dat Baëna haar gejaagd en geheel van streek had verteld. Behoedzaam sloot zij de deur. Bedeesd naderde zij de verstarde aartsvader, fluisterde bijna:
‘Wees welkom, Adon Nehemia bar Simeon van Keulen.’
Langzaam wendde hij zijn gezicht. De grijze ogen drongen door tot haar ziel en haar geweten, zodat zij begon te huilen. Langzaam rees hij op, torende hoog boven dit sierlijke vrouwtje, zegde:
‘Dank voor uw welkom. Vergeef het mij uw gastvrij-
228