plaatsvervanger. Hebt u vragen of berichten? Kan ik iets met u afhandelen?’
Weer wendde Nehemia bar Simeon zijn gezicht langzaam naar de reisfactoor, zegde:
‘Ik ben gekomen om senhor Josua Mocatta te danken voor hetgeen hij deed om mij te lossen. En u wil ik danken voor de uitvoering van zijn bevelen.’
‘Ik zal uw woorden overbrengen, Adoni. Zijn er nog zaken die haast hebben? U kunt ze met mi j bespreken en regelen.’
‘Er zijn zaken, maar ik ben moe. Daarom verzoek ik u mij toe te staan een der volgende dagen terug te komen.’
‘Gaarne, Adoni.’
Nehemia bar Simeon rees langzaam, wat moeizaam op. Gabriël Baëna werd ontroerd door deze waardigheid.
‘Adon Nehemia bar Simeon, ik hoop dat de foltering niet te zwaar voor u was en dat Ha-Kadosh-baroech-hoe u verder vervolging en verdriet zal willen besparen.’
Langzaam naderde de oude man. Stond voor de reisfactoor. Met een plotseling gebaar pakte hij zijn Jodenhoed bij de punt en plaatste die op het hoofd van Baëna.
‘Gershom bar Shlomo, nu, onder deze Jodenhoed, veroorloof ik u pas de naam van de Almachtige uit te spreken. De woorden Haqodaush-boroech-hoe zijn het eigendom van ons, Joden. Christenen en Marranos dienen hun eigen woorden te gebruiken.’
Geschrokken keek Baëna naar de oude man, maar opeens barstte hij wat onbeheerst los:
‘Waarom voert u dit gesprek op zo’n vijandige toon?’
226