de schrijvers kamers van de christen kooplieden. Weer die stem:
‘Waarvoor?’
‘De factoor van Rijnland en de Elzas van het Huis Mocatta rapporteert uitsluitend aan degeen die senhor Josua Mocatta daarvoor heeft aangesteld.’
Ook Nehemia’s stem klonk nu bars. Meer stemmen, verbaasde stemmen, onderdrukt gemompel tegen elkander. Twee klerken sprongen tegelijk op. Van deze gebeurtenis mocht senhor Josua Mocatta nooit iets te weten komen. En zij waren op slag vriendelijk, hoffelijk, bijna kruiperig. Want hun broodwinning had getrild op haar grondslag. Zij brachten hem naar de werkkamer van Josua Mocatta op de eerste verdieping van het zeer ruime koopmanshuis, bijna een kasteel. Daar vond Gabriël Baëna hem. Nehemia bar Simeon zat stuurs te kijken, volgens zijn gewoonte. Vanuit de diepte van de kamer zag hij door de vensters de gevels van de overzijde. Langzaam wendde hij het hoofd naar de reis-factoor, groette niet.
‘Welkom, Adon Nehemia bar Simeon. U bent vroeger gekomen dan wij hadden verwacht.’
‘De konvooireis naar hier verliep voorspoedig, senhor Baëna.’
‘Is u reeds herberg aangeboden in Antwerpen, Adoni?’
‘K
‘Wilt u mij vertellen bij wie?’
‘Neen.’
Een stilte viel in. Nehemia bar Simeon bleef naar buiten kijken. Gabriël Baëna voelde zich wat nerveus worden. Na een tijdje hervatte hij het gesprek.
‘Adoni, senhor Josua Mocatta is op reis. Ik ben zijn
225