Gabriël Baëna boog. Deze Duitse rots had stijl, deed niet onder voor de Iberiërs en de Marranos. Met lange langzame passen verliet hij de herberg. Maar om zijn maag had hij een vreemd gevoel. Een nerveuze angst, dat toch op een dag een goi zou ontdekken dat hij geen Iberiër, geen Marrano, maar een heel gewone Ashkena-sische joodse jongeman was. Dat dan het blok of de brandstapel dichterbij zouzijn dan Rosh Hashana. - Maar in de Spaanse Hof klonken zijn bevelen weer hard en kort en niet te weerspreken. Het escorte brak op en reed terug naar Antwerpen, onder bevel van de geheime Jood Gershom bar Shlomo, nu senhor Gabriël Baëna.
Nehemia bar Simeon kwam naar het handelshuis Mo-catta. Zoals hij vanaf zijn jongelingsjaren gekomen was in vele steden en dorpen van Europa. Te voet. In het zwart, met gele puntige Jodenhoed, met gele Jodenlap op zijn tabberd, op de plaats waaronder het hart, en in sommige landen ook nog een teken op de rug. Want hij eerbiedigde de wetten van het land even streng als de wetten van Sinaï. De Wetten van het land, de Wetten.
In de schrijfkamer van de klerken liet men hem wachten. Staande. Tegen een Jood, of Jodin, jong of oud, was niemand hoffelijk. Uitgestoten, nog minder dan de laagste stand; zij mochten blij zijn dat men hun het leven liet. En hij wachtte - en hij wachtte zoals hij vanaf zijn kinderjaren geduldig had gewacht in de huizen van de christenen. Eindelijk een barse stem:
‘En...?’
‘Meld mij bij de reisfactoor Gabriël Baëna.’
Weer stilte. Nehemia bar Simeon wachtte verder, zoals hij vanaf zijn mannenjaren geduldig had gewacht in
224